zaterdag 12 maart 2011

Er tussen in

12-03-2011; Smienten, wintergasten in bruilofstkleed
De zaterdag van vandaag staat te boek voor een wintervogeltelling. Dat is het ook wel, want er zit nog een Ransuil op zijn vaste winterstek en achter sportpark Blokhoven graast een groepje Smienten aan de slootkant. Binnenkort zullen ze naar hun noordelijk  broedgebied vertrekken en daarom zijn ze nu op hun mooist. Boven de polder jaagt een Slechtvalk samen met een Sperwer de Kieviten en Spreeuwen de stuipen op hun lijf. Maar zittend op een heiningpaal in de weidse polder wordt de grote valk al weer vervaagd door de trilling van de langzaam opwarmende lucht. Ondertussen zijn Buizerds cirkelend en duikend begonnen hun territoria af te bakenen. Daartussen schroeven doortrekkende soortgenoten omhoog. En daar schuifelt, nog wat stiekem en voorzichtig, een Grutto paartje tussen de groepen Kieviten. 

12-03-2011: Deze Kievithaan trekt de aandacht van zijn partner
door te wuiven met zijn staart.
Het kan mevrouw niet boeien


Het meest overtuigd van de lente is deze Kievit bruidegom die met zijn bevederde weergave van een  “maart roert zijn staart”-ritueel en roestbruine onderkant een vrouwtje in de stemming probeert te brengen. Ze zit er ogenschijnlijk onaangedaan bij, maar ik wed dat ze zal zwichten en binnen twee weken en vol overgave op een “viertje” zit te broeden.

zondag 6 maart 2011

Goed gemold

En nu wil ik het weten! Elk jaar aan het einde van de winter vraag ik het me af: Waarom maken de mollen zo veel grote molshopen juist als de winter er mee op houdt? Boeren en buitenlui kwamen deze keer niet met een overtuigend antwoord. Door Talpa europaea, de latijns mollennaam, in te toetsen in “Google Scholar” kom ik er achter dat ik niet de eerste ben die een vraag over mollen heeft. Wat er al niet is onderzocht aan dit intrigerende beestje: Het zichtsysteem (speciale ooglenseiwitten), gehoor, voortplantingshormonen, skeletontwikkeling, vacht, gevoeligheid voor parasieten en zware bodem metalen of kolonisatie van de IJsselmeerpolders (zwemmend over 500m breed water!). Maar niet helemaal wat ik zocht.
Mollenwerk

Hun voedingspatroon biedt meer aanknopingspunten. Mollen leven vooral van regenwormen. Het liefst vangen ze die in de wortelzône van de grasmat. Ondiep gravend werpen ze dan nauwelijks hopen op. De bodemcondities bepalen waar de regenwormen zich ophouden. Droogt de grond uit, dan gaan de wormen dieper waar het nog vochtig is en moeten ook de mollen meer werk en grond verzetten om bij hun prooi te komen. Zo ook in de winter, wanneer de bovenlaag van de bodem bevriest gaan de wormen onderuit en moeten mollen dieper graven en veel grond verzetten. Maar dan weet ik nog niet waarom juist die hopen aan het einde van de winter worden gemaakt. Komen de wurmen dan weer binnen bereik of komt het doordat de mollen in de loop van de winter tot 30% in gewicht zijn afgenomen. Dat moet voor het a.s. voortplantingseizoen weer worden aangevuld en daar moet flink voor worden doorgegeten en gegraven. Zou kunnen.

Mollen hebben een territorium, waarbij de mannen en jonge dieren een groter gebied benutten dan de vrouwtjes en de territoria in weiland kleiner kunnen zijn dan in akkers; kwestie van voedselaanbod. De diepe gangen worden ook benut om insecten die er in denken te kunnen schuilen te verorberen. Mollen hebben geen dag-nacht ritme, maar wisselen actieve perioden van zo’n 8 uur af met rustperiodes die liefst in hun nest worden doorgebracht. Interessante beestjes.

vrijdag 4 maart 2011

Nog een beetje winter graag

Het zijn vaak m’n beste momenten in de polder. Een doordeweekse dag (nee, niet vandaag) met matig weer en weinig zicht, koud, maar geen wind. Dan is het zeldzaam stil en is er zo weinig verkeer, dat de Grauwe ganzen tot in de berm van de Achterdijk zitten. Mopperend schuifelen ze aan de kant of protesteren hartgrondig als ze op de vleugels gaan. Onzichtbaar zijn ze, maar de Kollen aan de achterkant van de boomgaard maken een heerlijk wintergeluid; het moeten er veel zijn. In de berm van de Pothuzierweg heb ik zicht op een groepje Grauwe en Kolganzen en kijk of er nog iets anders tussen zit. Een poosje sta ik zo te genieten van hun rustig gebabbel, als een eenzame wandelaar met een schuw hondje, of is het andersom, me schielijk passeren. Daarna zit het geluid van de avondspits op de Provinciale weg me een beetje in de weg als ik over het Overeind kar. Het wordt naar de achtergrond verdrongen door een grote groep ganzen die de veiligheid achter de boerderijen heeft opgezocht om te grazen; er is weer flink geschoten in de polder de afgelopen dagen. Ik heb zicht op zo’n 800 Brandganzen die wat verder grazen dan de 250 Kollen.

Kleine rietgans tussen de Kollen in Blokhoven Oost.
Een korte donkere snavel, met roze puntje,
de bovenzijde is lichter dan de flank.


Donker afstekende koppen op korte, lichtbruine, nekken. 
Formaat Kolgans of zelfs iets kleiner.
(Sorry voor de beeldkwaliteit, maar er was zo weinig licht
 dat zelfs de autofocus het liet afweten).

Meerdere keren heb ik de groep door gelopen met m’n telescoop voordat ik de donkere kopjes van Kleine rietganzen heb ontdekt. Die zien we hier niet vaak! Een keer eerder zag ik een groep van meer dan 100 vogels, niet ver van hier, achter de “Hoge Boogerd”, nu zijn het er drie. Kleine rieten komen na het broeden op Spitsbergen via Denemarken vaak al vroeg naar ZW Friesland. De rest van Nederland slaan ze daarna over om met z’n twaalfduizenden (dat is dan wel de hele wereldpopulatie) in (Zeeuws)-Vlaanderen te overwinteren. Meer info. Deze Blokhovense kleine rieten maken deel uit van het contingent vogels dat al weer bezig is aan een lange terugtocht naar het noorden waar een zomer vaak nog  koeler is dan onze winter.

Inderdaad, de lente komt er onontkoombaar aan,
straks en met niets verhullend licht. 
Laat mij nog even genieten van een winter die zo vroeg begon,
maar nog steeds op zich laat wachten.

woensdag 2 maart 2011

Stille uittocht

Vogels kunnen sneller reageren op veranderingen dan kruipend en lopend gedierte; ze kunnen vliegen! Hebben ze eenmaal hun succesformule ontdekt dan veroveren ze in een vlot tempo onze wereld.
1948: nieuw in Nederland Turkse tortelduif.
Turkse tortelduiven tref je nu overal aan waar graanresten te vinden zijn: bij van der Gorp in de Heul, op de maiskuil, in stallen of wanneer de vogelliefhebber te uitbundig voor zijn tuinvogels heeft gestrooid. En dan te bedenken dat er tot 1900 geen Turkse tortels in Europa voorkwamen en in 1948 voor het eerst in Nederland werd gebroed *). Wat is er in zo’n vogelgestel of onze omgeving veranderd dat deze tortel zicht zo wist te vermeerderen? Er zijn meer voorbeelden van wereldveroveraars. Vanaf 1936 gebruiken Bonte vliegenvangers Nederlandse nestkastjes *). Kuifeenden waren vroeger zeldzaam en broeden nu langs de poldersloten van Blokhoven. Je treft ze zelfs in parkvijvers omdat hun voornaamste voedselbron, “exotische” driehoeksmosselen, hier nu in overmaat voorkomt. Deze soorten kwamen geheel op eigen kracht naar ons land.
Kuifeenden broeden langs de sloten van polder Bokkhoven 
Andere vogels als Fazanten, Nijlganzen en Halsbandparkieten werden een flink stuk door ons op weg geholpen. Maar ook bij hen ging vaak een lang inburgeringstraject vooraf aan uitbreiding van de populatie. In Engeland vlogen Nijlganzen al in de negentienvijftiger jaren vrij rond, op 14 juli 1991 zag ik ze voor het eerst in de Honswijkerwaarden; een aanwinst voor mijn soortenlijst.
Er zijn mensen die zich opwinden over zulke nieuwkomers. De tortels koeren te vroeg en te hard in onze dakgoten en houden ons uit de slaap. De ingevlogen Bonte vliegenvangers pikken soms de voor onze koolmezen bedoelde nestkasten in en Nijlganzen gedragen zich agressief naar andere soorten en krijgen de schuld van de achteruitgang van de weidevogels.
Eerlijk gezegd, denk ik dat we ons beter druk kunnen maken om de soorten die ondertussen stilletjes verdwijnen uit Nederland. Daar zijn opvallend veel boerenlandvogels bij als Zomertortel, Grauwe gors, Ortolaan, Veldleeuwerik, Watersnip, Kemphaan en wellicht straks Grutto. Zij hebben zich niet kunnen aanpassen aan de snel moderniserende landbouw. Wie maakt zich daar druk over? Alleen van de Grutto-redding wordt echt werk gemaakt.

Maar het is niet de schuld van de “luidruchtige” nieuwkomers dat de bescheiden, onopvallend kleurrijke, onaangepaste vogelsoorten uit onze boerennatuur dreigen te verdwijnen. Het is denk ik net als met de democratisch gekozen overheden van onze samenleving; we krijgen de natuur die we verdienen.
*) Gegevens uit: "Die vreemde vogel" door Jan Bos en Jan van de Kam, 1973, Ploegsma Amsterdam, alleen nog in het antiquariaat te krijgen.